blokmenu drachten-v2blokmenu gorredijk-v2blokmenu oosterwolde-v2blokmenu zorgvlied-v2

Kort
In de jaren dertig kwamen Franciscaner paters naar Drachten. Men was in die tijd ongerust over de hoge ontkerkelijkingcijfers van die tijd en er was ook de behoefte om weer wat terrein te winnen op de Reformatie. De paters vestigden zich in Drachten om hun ‘missiewerk’ te beginnen. De monniken begonnen hun missiewerk in 1933 vanuit de Witte Villa van burgemeester Bruins Slot aan de Noorderbuurt, maar in 1937 konden ze hun eigen klooster in gebruik nemen.

Er onstond een kleine katholieke gemeenschap. Met de komst van Philips in 1950 groeide het aantal katholieken en begin jaren zestig werd onze parochie gesticht en de kerk gebouwd. Bouwpastor en eerste pastoor van de parochie 'De Goddelijke Verlosser' was de franciscaner pater J. Ros ofm.  Op 19 juni 1963 werd het kerkgebouw geconsacreerd en in gebruik genomen. De parochiekerk staat in Drachten en is gelegen aan de Pier Panderstraat 1 in Drachten, vlak ten zuiden van het centrum. Veel dorpen rondom Drachten horen bij deze parochie. 

Burg. Wuiteweg klooster 1939Minderbroedersklooster 1939

Het klooster is door architect H.H. de Graaf uit 's Hertogenbosch ontworpen in de stijl van de Delftse School. Bij de latere verbouwingen tot gemeentehuis is de oorspronkelijke structuur grotendeels intact gebleven. Zo zijn de kloostergang en de kapel nog goed herkenbaar. De oorspronkelijke kloostertuin voor het gebouw is nu het Museumplein. In de uitgestrekte achtertuin is later de katholieke kerk gebouwd en de katholieke basisschool St. Lukas. Een klein deel van de achtertuin is nu openbaar park

De Rooms-katholieke emancipatie
In 1850 nemen Zusters het onderwijs ter hand in Leeuwarden, Bolsward, Franeker en Harlingen. In Leeuwarden wordt een Rooms Katholiek Ziekenhuis geopend. In 1870 krijgen ook Harlingen en Sneek een R.K. Ziekenhuis. In 1903 wordt het eerste Augustijner mannenklooster van na de Reformatie in Witmarsum geopend. Ook verenigingen komen dan langzaam van de grond. In 1871 is in Sneek de eerste kiesvereniging en in 1882 de eerste Roomse katholieke Landdag in Leeuwarden met tien kiesverenigingen in Friesland en twintig in de rest van Nederland! Ook ontstond toen de zogenaamde Friesche Bond. In 1880 verscheen het RK weekblad Ons Noorden waarin ook Dr. Schaepman schreef die veel aan de RK emancipatie heeft bijgedragen. In 1913 geeft pater Thomas in het klooster te Witmarsum veel informatie over het katholicisme aan niet katholieken. In 1917 werd het Rooms Frysk Boun opgericht.
In 1930 wordt Ons Noorden een dagblad. De in dit jaar gehouden volkstelling toont zeer hoge ontkerkelijkheidscijfers, vooral in onze streken. In 1931 verschijnt hierover een zeer alarmerend bericht in De Tijd met als kop: 'De ontkerstening van Nederland' en 'Red de noordelijke Provincies'.
Onze missionarissen en religieuzen werden overal ter wereld uitgezonden, waarom niet óók in het noorden van ons land? Op 28 december 1931 werd door de Apologetische Vereniging Petrus Canisius, een bijeenkomst hierover georganiseerd in Sneek. Pastoor Overmeer uit Heeg werd de bezielende leider voor de realisatie van dit idee en weet de Franciscanen hiervoor te interesseren.

Franciscanen met een missie naar Drachten
Zo wordt in 1933 in Drachten een huis gekocht voor ongehuwde heren. Het tweede mannenklooster in onze provincie na de Reformatie is een feit. Er wonen dan twee Rooms katholieke gezinnen in Drachten en de Tike. Grote deining in Drachten! Dit gebied had eigenlijk al helemaal afgerekend met de katholieke kerk. De angst voor de Roomse kerk blijkt nog groot. Ten noorden van de spoorlijn Harlingen - Groningen grens heeft alleen Dokkum een parochie en ten oosten van spoorweg Leeuwarden - Steenwijk, tot de grens met Groningen en Drente bestonden alleen de parochies Steggerda en Frederiksoord. De O.F.M. maakt geen luidruchtige reclame maar leeft mee met de bevolking en doet mee met de plaatselijke initiatieven. Af en toe schrijven ze stukjes in kranten en tijdschriften en organiseren ze bijeenkomsten. Het zwaartepunt is persoonlijke contacten leggen en huisbezoeken afleggen. Het gebied was uitgestrekt. Dit leidde tot het stichten van buitenposten, de ûthoven. De ûthoven Oosterwolde en Gorredijk groeiden via de status van vicarie uit tot echte parochies. Het minderbroederklooster had zich toen al ontwikkeld tot een plek van samenkomen, want met alle afstanden was permanent verblijven onder één dak praktisch onuitvoerbaar geworden. Op vaste tijden kwamen de broeders een hele dag bijeen voor gebed, bezinning, studie-uitwisseling en niet te vergeten recreatie en samen eten. Daar was echter het klooster niet meer voor nodig. Ook was het aantal Katholieken in de regio zodanig gegroeid, dat de aandacht al was verschoven van de zendingstaak naar de pastorale zorg. Het minderbroedersklooster werd in 1970 gesloten en verkocht aan de gemeente.
 
Burg. Wuiteweg Minderbroedersklooster 19461946
 
Ongewone passagiers: De komst van de zusters Karmelietessen naar Drachten
Op 7 februari 1935 stapt een gezelschap van zes zusters uit de trein in Heerenveen. Zij komen vanuit het Karmelklooster in Den Bosch, nemen de bus naar Drachten om daar uit te stappen op de Stationsweg. De Karmelorde heeft daar op nr. 63 een huis gehuurd, waar de zusters als een soort tussenstation gewoond hebben voordat zij in 1936 verhuizen naar het huidige Karmelklooster. In 1935 is begonnen met de eerste bouwfase van dit klooster.

Zondag 10 februari steekt in Friesland een sneeuwstorm op. ’s Avonds meldt pastoor J. de Kroon uit ’s Hertogenbosch zich bij de zusters aan de poort. Hij zal de volgende dag het 'kleine klooster' aan de Stationsweg wijden. Hij is met een taxi vanuit Heerenveen gekomen en logeert in hotel de Phoenix. Door de sneeuwval komen de gasten op de feestelijke maandag 11 februari later dan bedoeld; naast de zes zusters zijn er elf priesters en nog een aantal gasten en gezinnen aanwezig. Pastoor Overmeer draagt de Hoogmis op in het kleine 'klooster'en onder de Mis spreekt hij de stichteressen en aanwezigen toe. Na de viering volgt een samenzijn, waarna de gasten vertrekken.

De volgende ochtend, 12 februari draagt pastoor de Kroon uit Den Bosch de mis op in de nieuwe Karmel van Drachten, iets later dan de bedoeling was, want de ober in de Phoenix had zich verslapen, meldt de kroniekschrijver. Tegen de avond komt pater De Hart om de Kruisweg in het koor van de zusters op te richten. Vervolgens wordt de oprichting van de nieuwe Karmel voltooid met de afsluiting van de buitenwereld. De zusters wonen nu 'achter slot'omdat zij als bidorde willen fungeren. En voor het gebed hebben zij stilte, rust en concentratie nodig.

In 1935 komen de Karmelietessen naar Drachten om het werk van de paters en broeders met gebed te ondersteunen. Op maandag 11 februari 1935 ging voor zes nonnen in een huurhuis aan de Stationsweg in Drachten de sleutel in het slot. Met deze symbolische ‘afsluiting van de wereld’ was de stichting van het eerste contemplatieve klooster in Friesland sinds 1580 een feit. De zes zusters - lid van de orde van de ongeschoeide karmelitessen - kregen anderhalf jaar later aan It Súd een veel betere plek om met hun gebed en meditatie de katholieke gemeenschap in Friesland spiritueel te ondersteunen: het Karmelklooster.
 
Zuid het klooster Ongeschoeide Carmelitessen 6-5-1936
Aanvankelijk kwam er maar één vleugel van het door Arjen Witteveen ontworpen gebouw te staan, want meer geld was er niet. Toch was het een enorme vooruitgang ten opzichte van het geïmproviseerde onderkomen aan de Stationsweg. Het Karmelklooster zat vanaf 1942 opnieuw krap vanwege de komst van tien zusters uit de Karmel in Egmond, ontruimd op last van de Duitse bezetter. Een lange keet bood uitkomst.
In 1950 en 1956 werd dan toch het geld gevonden om de volgende bouwfasen uit te voeren. Maar liefst 1200 belangstellenden konden rond pinksteren 1956 een kijkje nemen in het voltooide carré rondom de binnentuin. Op 27 mei van dat jaar ging na de inzegening door de kersverse bisschop Nierman de sleutel opnieuw in het slot. Negentien ‘bruiden van Christus’ leefden daar in afzondering, twee buitenzusters onderhielden het contact met de wereld.
In 1983 kreeg de gemeenschap een impuls met de komst van zes Nederlandse ongeschoeide karmelitessen uit IJsland. De uitbreiding was per saldo maar klein, omdat een aantal zusters uit Drachten tegelijk naar andere kloosters overgingen. Tien jaar later moest het klooster helaas constateren dat er met zestien zusters op hoge leeftijd geen toekomst meer was, en besloot men tot sluiting.
Begin augustus 1993 ging er weer een sleutel in het slot. Dit keer om een leeg gebouw af te sluiten. De laatste zusters hadden toen inmiddels onderdak gevonden in andere Karmelkloosters.
 
Zuid Klooster Camelitessen 1943

Meer oude foto's van Drachten en omstreken zie dragten.nl

Parochiekerk de Goddelijke Verlosser
Inmiddels woonden er al heel wat katholieken in Drachten en wijde omgeving, door de komst van Philips en de landbouw. De kapel in het klooster werd te klein, daarnaast was in 1956 het bisdom Groningen ontstaan en zo werd besloten de vicarie Drachten over te laten gaan in de parochie 'De Goddelijke Verlosser' te Drachten. Een uitstekende naam voor een katholieke kerk in een van oudsher protestants gebied. De Franciscaanse pater J. Ros werd benoemd als bouwpastoor en later werd hij de eerste pastoor van de nieuwe parochie.

Architect
De architect van de kerk was Coen Bekink (1922-1996). Als architect ontwierp Bekink, wiens stijl wel is omschreven als beeldend functionalisme, verschillende rooms-katholieke kerkgebouwen, waarvan zijn Mariakerk (1959-1960) in Groningen als een van de bekendste geldt. Deze kerk vertoond in veel opzichten gelijkenis met onze kerk.
 
20120326 Landsteinerlaan 2 Mariakerk-Magnalia Deï-kerk Groningen NL
          sf 1097 DR RK JWA2361 1
 
 
 
Bekink werd geinspireerd door Le Corbusier, de V-vormige daken van het  hoofdblok, uitgekiende lichtinval via beglaasde kleurvakken. Architectenbureau Bekink uit Groningen ontwierp een gebouw van sobere materialen met een open entreeportaal en veel glaswanden met zicht op klooster en kloostertuin. 
  
Marius van Beek (1921-2003) was de kunstenaar van het beeld aan de altaarwand. Geen traditioneel kruisbeeld maar een gestileerd corpus. Het geeft de Gekruisigde en de Verrezen Heer; de Goddelijke Verlosser weer.  Het is een voorbeeld van de vernieuwing en de ruimte die er was in de katholieke kerk in de vroege jaren zestig ten tijde van de Tweede Vaticaans Concilie. Nadien zijn zulke opdrachten niet meergegeven. 
 
Betonplastiek
In 1962 kreeg het een opvallend wandkunstwerk van Max Reneman (1923-1978). Zijn ontwerp sloot aan bij de strakke vormgeving, was sober, maar trok wel de aandacht. In de betonreliëf wandschildering van 3 meter hoog en 15 meter lang wisselen motieven elkaar af, maar vormen tegelijk een eenheid.

Symbolen
De verschillende vormen die de schepping weergeven, doen denken aan houtsneden. In dit kunstwerk zijn symbolisch een alziend oog en een beschermende hand te herkennen. Daarachter golven in het verlengde enkele lijnen als een zee die, met de zon daarboven, doet denken aan het werk van Jan Loman. Er zwemt een vis, in het midden spreidt een bijna gevelhoge vogel haar vleugels en vestigt zo de aandacht op een in deze voorstelling geïntegreerd woord achter zich. Het staat centraal en hoog geplaatst en luidt: Bemint.

108e kb 1 DSC 4806 - kopie

 
108e kb 2 DSC 4807 - kopie
 
Vogel
Op het oorspronkelijk voor de Mariaschool in Groningen gemaakte beschilderde betonreliëf uit 1959 kijkt een gestileerde vogelfiguur naar de zon. Reneman werd hiervoor en voor meer monumentale werken geïnspireerd door glas-in-loodramen van de katholieke kerken, waar hij als jongen veel tijd doorbracht. In 1960 maakte hij zelf grote glas-in-loodramen in de voormalige katholieke Mariakerk aan de Landsteinerlaan 2, die evenals de Mariaschool in de wijk Corpus den Hoorn ligt. In de westwand verwerkte hij symbolen van Gods goedheid, zoals de duif en het oog, die we ook in Drachten zien.
 
108e kb 3 DSC 4810 - kopie
 
Een sobere kerk
De kerk moest sober zijn die paste in de de reformatorische omgeving. Een kerk met een open karakter met veel vensterglas in de kerkzaal. De oostwand was open met ramen, richting de kloostertuin en het klooster. Achter op het balkon een geheel open koor met een grote glaswand. Wegens het kleine budget op het balkonkoor een eenvoudig orgel.
Een groot verhoogd priesterkoor, zonder afscherming naar de kerkzaal. De handelingen moeten voor ieder goed zichtbaar zijn, daarom ook een brede ondiepe kerkzaal. Geen traditioneel kruisbeeld met corpus maar een gestileerd beeld. Er kwamen geen kruiswegstaties maar 12 kruisjes van de kerkwijding op sobere kanselaars aan de wand.
Verder een open doopkapel achter in de kerk en een eveneens sobere Mariakapel met een eenvoudige houten Maria. Aan de oostwand een dagkerk waarvan het altaar tevens als sacraments altaar diende in de hoofdkerk. Later is dit altaar weggehaald  en verplaatst. Het staat nu tegen de achterwand met tabernakel. De dagkerk fungeert nu als de Blauwe zaal.
Een ruime overdekte ontmoetingsruimte, de narthex. Verdere mooie versiering met non-figuratief glas in loodvenster, rechts voor in de kerk. Gemaakt door Wim Gerritsma.
Non figuratief mozaïek in de doopkapel en de beton plastiek buiten: God – Schepping - Opdracht - Bemint
Dit is de reden dat onze parochiekerk een sobere, geen rijke en triomfantelijke uitstraling heeft. Een kerk die ook voor protestanten laagdrempelig is gebleken.

Voor het historisch gedeelte is vooral geput uit: 'Katholieke minderheid van Protestants dominant' van Dr. W. Goddijn O.M.F. en 'Katholiek leven in Noord-Nederland 1956-2006: vijftig jaar bisdom Groningen 2006 T.T. de Jong, Guus Bary.
 
                          Christus op de altaarwand van de kerk, gelast brons door Marius van Beek


HET ORGEL
Orgelbouwer: Bernard Pels 1963 opus 572 Electrische tractuur. Het orgel is buiten gebruik.
Manuaal I C-g3
1.  Roerfluit 8'
2.  Prestant 4'
3.  Mixtuur III-IV 2'
Manuaal II C-g3
4.  Gedekt 8'
5.  Roerfluit 4'
6.  Prestant 2'

Pedaal C-f1 7. 
Subbas 16'
Koppelingen
1.  P + I
2.  P + II
3.  I + II


 

KRANTENARTIKELEN

Philips nam katholieken mee 
Artikel wat verscheen in het Friesch Dagblad op 17-06-2003 ter ere van het 40-jarig bestaan van de kerk. 

Parochie De Goddelijke Verlosser in Drachten viert jubileum kerkgebouw. Het rooms-katholieke parochiegebouw in Drachten bestaat donderdag op de kop af veertig jaar. Dat wil zeggen: op 19 juni 1963 werd er begonnen met de bouw van de parochiekerk ‘De Goddelijke Verlosser’ aan de Pier Panderstraat.
De noodzaak van de bouw was grotendeels te danken aan de komst van de scheerapparatenfabrikant Philips. Voor 1930 woonden er in Drachten en geheel Zuidoost-Friesland maar weinig katholieken. Dit tot groot ongenoegen van de Franciscanen, onder wie pastoor Overmeer van Heeg. Hij zag het als een missie aan het werk te gaan in dit gedeelte van Fryslân waar veel onkerkelijken woonden. Voorzitter van de feestcommissie ‘40 jaar De Goddelijke Verlosser’ Y.J. de Vries vindt juist de ontstaansgeschiedenis van de parochie in Drachten zo mooi. De verhoudingen lagen toen natuurlijk heel anders dan tegenwoordig’, zegt hij doelend op de grotere tegenstelling tussen de diverse geloofsrichtingen destijds.
In Zuidoost-Fryslân waren veel protestanten. Ik vind het historisch gezien gewoon een mooi verhaal dat de Franciscanen hier kwamen kerstenen.

Alleenstaande heren
De Franciscanen kochten in 1933 een woonhuis in Drachten voor alleenstaande heren. Via zogenoemde úthoven wilden de Franciscaner paters voet aan wal krijgen in het zo protestantse deel van Friesland. Zonder er in het begin al te veel ruchtbaarheid aan te geven, uit angst voor protesten van de protestanten, werden er úthoven gevestigd waar ze eeuwen geleden waren verdwenen. Zo werd in 1940 een úthof in Sint Jacobiparochie gesticht. Katholieke meisjes die ‘gezinszorg’ verrichtten in gezinnen en een pater brachten er het katholieke geloof. Later werden úthoven in Burgum, Oosterwolde en Gorredijk opgericht. Drachten had in die tijd geen kerk, en was daarom een vicarie. De kapel van het klooster van de Franciscanen, waarvan momenteel een gedeelte dient als Museum Smallingerland, was de plek waar de katholieken samenkwamen.

Door Philips ontstaat er een parochie
De echte omslag voor de katholieken in Drachten kwam in de jaren vijftig en had alles te maken met de komst van Philips, weet De Vries. In die periode voerde het machtige Philips in Eindhoven een decentralisatie in: overal in het land kwamen vestigingen van het bedrijf. Zo ook in Drachten. Veel van de werknemers uit het katholieke Zuid-Nederland verhuisden achter de fabriek aan. De rooms-katholieke gemeenschap groeide zoetjesaan, het kleine kloosterkerkje werd duidelijk te klein.
In de kerk konden ongeveer dertig mensen’, weet De Vries. En dat was al snel te weinig. In tien jaar tijd groeide de parochie enorm. Onder leiding van het Bisdom Groningen dat in de jaren vijftig was opgericht, werd besloten de vicarie te veranderen in een parochie met de naam ‘De Goddelijke Verlosser’. Omdat het aantal zielen sterk groeide, moest er een nieuw gebouw komen, want zo kon het niet langer. Pater Van Rijn was die mening toegedaan en nam het voortouw voor het bouwen van een rooms-katholieke kerk in de kloostertuin, aan de Pier Panderstraat. Pater Ros werd aangesteld als ‘bouwpastoor’.

Eén ding stond vast: de kerk in Drachten mocht absoluut geen Rome-bolwerk worden. De bouwers wilden rekening houden met hun leefomgeving: in een reformatorisch klimaat paste slechts een sobere kerk. Tierlantijnen waren uitgesloten. Daarnaast moest de kerk een open karakter met veel vensterglas naar de straatkant’ krijgen. De handelingen moesten voor iedereen goed zichtbaar zijn, zowel in als buiten de kerk. Het moest geen geheimzinnig gedoe worden, weet De Vries. Het bouwproces verliep overigens niet zonder slag of stoot. Het moest allemaal op zijn zuinigjes. Samen met Lucas Hettinga, die veel werk verrichtte in het Karmelietessen klooster, en nog enkele anderen ging pater Ros de bouwmissie aan. Hettinga werkte bij Philips en moest alles in zijn vrije tijd doen. Het schipperen met het geld noopte de bouwers tot veel creativiteit: zo was het plan het ruwe tabernakel - waar de hosties in worden bewaard - bij Philips in Drachten in een koperbad te dompelen. Het bad was echter te klein voor het tabernakel en dus moest een andere oplossing worden gezocht. Zo kwam het dat de parochianen in een eigen auto met het tabernakel naar Philips in Eindhoven togen, waar de capaciteit groter was. Dat goedkoop overigens ook wel eens duurkoop kan zijn, bleek al snel na de inwijding van de kerk, die werd verricht door de eerste bisschop van Groningen Mgr Nierman. De knielbankjes konden het gewicht van de kerkgangers na enige tijd niet meer dragen en bezweken.
 
kerkzaal.jpg
Een korte brede kerkzaal met veel glas
 


Een Franciscaans avontuur in Fryslân
Artikel van 3 januari 2005 waarin Jan Hottinga de geschiedenis van de Drachtster kloosterlingen beschrijft.

Een kleine groep kloosterlingen kwam in 1933 naar Drachten om de onkerkelijkheid te bestrijden. Zo begon 71 jaar geleden de Franciscaanse aanwezigheid in Drachten. Zij bleven er tot 1970. Tijn Hottinga uit Meppel heeft die vier decennia Franciscaanse geschiedenis in Fryslân vastgelegd in een fraai boek: Het Fransciscaanse avontuur van Drachten.
De Franciscanen of minderbroeders noemden hun komst naar Fryslân zelf een avontuur. Omdat ze eigenlijk niet goed wisten waaraan ze begonnen. Hun verblijf was een onzekere zaak, ongewis van duur en van resultaat. Het was gewoon een sprong in het diepe. God zegene de greep, zo schrijft Hottinga.
Een sprong ook in het diepe omdat het gebied rond Drachten hun volkomen vreemd was. Bolsward en Franeker waren eeuwenlang steunpunten voor de Franciscanen geweest, maar Drachten was feitelijk terra incognita , onbekend land.
In de Middeleeuwen zou in de buurt van Drachten een klooster zijn geweest van de cisterciënzers, maar in de eerste helft van de twintigste eeuw waren katholieken er nog maar ‘sporadisch aan te treffen’. Het idee om een klooster in Drachten te beginnen, kwam niet eens van hen zelf, zo blijkt. Het plan was afkomstig van de zogenaamde Friese commissie, de Friese tak van de Apologetische Vereniging Petrus Canisius - de latere Sint Willibrordvereniging, die het apostolaat van de Franciscanen semi-officieel dekte.
De Friese commissie was ontstaan naar aanleiding van de volkstelling die in 1930 in Nederland werd gehouden. ‘Daarbij was duidelijk aan het licht gekomen dat delen van Noord-Nederland heel erg buitenkerkelijk waren geworden’. Met name in Fryslân was het percentage buitenkerkelijken flink gestegen, vooral in de jaren tussen 1920 en 1930: van 13,1 procent tot 23,2 procent. In de gemeente Heerenveen noemde zelfs 46,2 procent van de inwoners zich buitenkerkelijk.

De cijfers leidden in de katholieke pers tot vlammende artikelen. Zo schreef Jan Taal in het katholieke dagblad De Tijd op 21 februari 1931 een betoog met kreten als ‘De terugval in het heidendom’ en ‘Red de noordelijke provinciën’. De schrijver vroeg zich af waarom ‘wel missionarissen naar verre landen werden gestuurd, terwijl het eigen land aan zijn lot werd overgelaten’.
Hottinga beschrijft op onderhoudende wijze de weg die de Franciscanen vervolgens moesten gaan voordat op 11 mei 1933 de eerste monniken - pater Augustus de Hart, de broeders Simon Hendriks, Theobald Hagedorn en pater Ivo Terhell - hun intrek namen in Villa Burgemeester aan de Stationsweg. Toen pastoor Overmeer de volgende morgen de eerste heilige mis in Drachten opdroeg, schreef De Hart hierover: ‘Dat was voor het eerst sinds 1580. Hier kwam Christus terug waar Hij eenmaal werd verjaagd’. Op 21 september werd het ‘klooster’ plechtig ingewijd.
In zeven hoofdstukken doorloopt Hottinga de geschiedenis van de avonturiers. Van het bescheiden begin naar het welkom in Drachten. Zoals ook de komst van De Morgenster , waarvan het eerste nummer verscheen in oktober 1935. Het tweemaandelijkse blad had een oplage van 12.000 exemplaren en zelfs enige tijd 50.000.
Befaamd was de rubriek ‘Vragenbus’ waarin allerlei twistpunten over de rooms-katholieke kerk werden besproken, zoals over de biecht, de aflaten en de verhouding met niet-katholieken. Vanaf het begin was het ook een oecumenisch avontuur, met goede relaties tussen dominees en paters en zelfs oecumenische gespreksgroepen, waarbij naast protestantse voorgangers ook gewone gelovigen welkom waren.
Een deel van het boek besteedt Hottinga aan het ‘Experiment in het Bildt’, waar onder leiding van Siardus de Vries een ‘úthof’ komt. Het Bildt blijkt de opmaat naar parochies in Burgum, Oosterwolde, Gorredijk, enzovoorts. De voortvarendheid waarmee De Hart aan het werk ging, zorgde er voor dat er uiteindelijk twee kloosters kwamen in Drachten, waarvan De Karmel het bekendste is.
‘Het is onvoorstelbaar wat De Hart in enkele jaren heeft teweeggebracht’, aldus Hottinga. Naast de Karmel was hij ook de man die zorgde voor de bouw van het minderbroedersklooster aan het Zuid, de latere Burgemeester Wuiteweg. Op 1 april 1937 werd dit klooster ingewijd door provinciaal Caminada.

Burg. Wuiteweg Minderbroedersklooster plm. 1940Achterkant Minderbroedersklooster ca. 1940

Driekwart jaar eerder, op 2 juni 1936, had De Hart zelf dat voorrecht bij de inwijding van het klooster voor de zusters van de ongeschoeide karmelitessen.
De Franciscanen hebben ook een ongekende invloed gehad op de komst van de zieken- en verzorgingstehuizen en scholen in Drachten. Zo werd op 30 juni 1943 door franciscanessen uit Heerlen de verpleeg- en kraaminrichting Sint Joseph geopend. ‘Dat leek een optimistisch idee, want zoveel katholieken telde Drachten toen nog niet. Dat eerste half jaar kwamen er toch vijf niet-katholieke kraamvrouwen in Sint Joseph. Het jaar daarop 46 en in 1961 waren het er 240.’
In 1962 werd de naam van het huis omgedoopt in Bertilla. De zusters uit Heerlen zouden later ook aan de basis staan de stichting voor het tehuis voor gehandicapte kinderen, Maartenswoude.

Philips
De gehele verandering en herkerstening in Drachten waren zeker voor een deel op het conto te schrijven van de karmelietessen, de zusters van Sint Joseph en de franciscanen, maar ‘de stimulans, de motor achter deze verandering was gewoon een grootindustrieel’, schrijft Hottinga. Philips streek in 1950 in Drachten neer en opende er een fabriek. De onderneming trok duizenden werknemers aan en van hen was een belangrijk aantal katholiek. De franciscanen vingen hen op.

In 1970 komt er een omslag bij de franciscanen. In de zomer van 1970 kwam er een einde aan het avontuur in Drachten door de opheffing van het Apostolaat Minderbroeders Friesland. Het klooster werd gesloten omdat veel bewoners elders in het Noorden onderdak hadden gevonden. Het betekend niet het einde van de franciscaanse activiteit, want velen blijven in het Noorden werken. De communiteit van Drachten had zich gesplitst in een regionale communiteit Drachten en in een communiteit Bolsward. ‘In de jaren 1970 en erna werden minderbroeders aangetroffen op Schiermonnikoog, in Coevorden, Wolvega, Heerenveen, Sappemeer, Groningen, Dokkum, Heeg, Uithuizen en nog een hele rits andere plaatsen.’
Overal doken de minderbroeders op, maar het werden er ook minder. In de slotbeschouwing blikt Hottinga terug. ‘In een proces van nog geen dertig jaar heeft zich de neergang voltrokken. Vrijwel alle franciscanen verdwenen uit het Noorden. De klacht van Teake Roorda, dat ‘het te bruin werd in het heitelân’, was achterhaald. Noodgedwongen hadden de paters, wat hun zo veel jaren ter harte was gegaan, uit handen moeten geven. Maar zij lieten geen leegte achter. Anderen namen hun plaatsen in en zetten voort wat de franciscanen begonnen waren: een apostolische, missionaire geloofsgemeenschap. Zij houden levend wat Augustus de Hart, Siardus de Vries, Manfred Staverman, Edward Doesburg en al die andere franciscanen hun hebben voorgehouden: Gods heil aanzeggen in Friesland.’

N.a.v. ‘Het Franciscaanse avontuur van Drachten’ door Tijn Hottinga, uitg. Wever Van Wijnen, Franeker. 



Sfeervol Kerstconcert door Drachtster Kamerorkest
Recensie uit de Drachtster Courant 24 december 1986 over een kerstconcert vanuit onze kerk.
Met name de foto is interessant.

'Toen ik zondag j.l. bet podium met daarop het Drachtster Kamerkoor zag, drong zich bij mij de vraag op: wanneer kun je een kamerorkest nog een kamerorkest noemen? Het toch niet echt klein te noemen podium van de Rooms Katholieke Kerk was namelijk meer dan vol. De dames en heren musici, 43 in totaal, zaten erg dicht op elkaar. Wanneer er solisten optraden konden die slechts met enige moeite ruimte voor hun optreden vinden......De houtblazers waren dubbel bezet; aan met name violen en celli was geen gebrek - vooral waar het de alt-violen betreft kan het orkest echter nog wel enige versterking gebruiken. Met een dergelijke omvang ken mijns inziens gerust worden gesproken van een klein symfonieorkest. Je zou dan ook bijna kunnen spreken van een Drachtster Symfonie Orkest. Maar dit terzijde.....' 


  kamerorkest.jpg 
    24 December 1986